Wat is een vreemdeling?

Het is heel lang geleden sinds ik het laatst teksten op deze website publiceerde. Ik heb besloten om het toch nog eens een paar keer te doen, vandaag een korte tekst en later een langere, meer omvattende (die wellicht ook nodig is om door een diepere kadering misverstanden op te ruimen die de korte tekst zou kunnen wekken). Beide teksten komen uit bijdragen die ik plaatste in een besloten denkgroep. De reden van mijn terughoudendheid is het inzicht dat bij mij gegroeid is gedurende de laatste tien jaar omtrent de absolute ernst van het proces van de ondergang dat ik beschreef aan het einde mijn doctoraat. Hoewel ik daarin die ondergang dus al beschreven had, bleef er toch nog enige tijd een neiging bestaan om ‘ten strijde te trekken’ door de waarheid hier en daar op confronterende wijze zichtbaar te maken. Maar het publieke debat is enkel een arena van (zij het moderne, ‘pluralistische’) mythes en emotionele oproer en manipulatie terwijl ook het intellectuele debat (voor zover dat nog bestaat) niet meer uit die arena weet te treden, maar er voortdurend tribuut aan betaalt. Het academische debat is uiteraard al helemaal quantité négligeable. Dat we steeds meer zien hoe de cultuur zichzelf in de staart bijt, leidt vooralsnog niet tot een herbezinning, integendeel: het lijkt erop dat de cultuur zelf door de technologie wordt afgelost als sturingsmechanisme: de mens wordt mediaal gedomesticeerd en het gaat hem misschien niet eens meer aan waar die sturing uiteindelijk op afstuurt. Maar zoals gezegd: hierna de eerste, kortere tekst dus over de vraag wat een vreemdeling is.

Wie behoort tot een groep? Daarvoor bestaan, naast praktische criteria (taal etc.), twee grote voorwaarden aan de basis (verderop zal ik deze basis verder nuanceren maar de basis zelf blijft wel steeds overeind):

1) het delen van (in elk geval conformeren aan) dezelfde mythe die het interne geweld indijkt en reguleert. Die mythe kan in meer of mindere mate rationeel zijn, maar ook de rede verschijnt aan de massamens in de ‘gediminueerde’ vorm van een mythe.

2) het samen afweren van de claims van anderen (op goederen, grondstoffen, macht…) en doorzetten van de eigen claims tegen die van anderen in.

Kortom, een menselijke groep is primair een vechteenheid en enkel in die vorm kan zij grotere gedaanten aannemen dan die van de kleine stam, nl. wanneer intern beter, gesofisticeerder gereguleerde grotere vechteenheden succesvoller bleken in het afslaan van concurrenten. We nemen de aanwezigheid van meer anderen binnen de groep er als het kleinere kwaad bij nadat we ‘beschaving’ ontwikkelden om de interne coördinatie zo vlot mogelijk te laten verlopen met succes tot gevolg in de strijd tussen groepen die daardoor tegelijk pas echt kon escaleren (wie niet mee kon met de evolutie, werd onderworpen of erger). Uiteraard gebeurt dit alles synchroon aan mutaties binnen de religie (als crux van de betere interne coördinatie) waarin het succes van centrale godheden en machtsfiguren ‘bevestigd’ wordt door de co-evolutie van toenemende ‘beschaving’ en succesvol ‘imperialisme’.

Hieruit volgt:

1) dat ‘universele mensenrechten’ en ‘non-discriminatie’ over de eigen grenzen van de eigen de facto-vechteenheid heen zelfondermijnende concepten zijn die ‘(cultuur)evolutionair’ afgestraft worden met de intimidatie (ook ‘moreel’ van aard), beroving, bezetting, overwoekering (‘omvolking’)… door anderen. Veelal zien we een “co-devolutionair” samengaan van een interne uitholling van de mythe (democratisering, pluralisering, revolte, het overheersen van een anonieme geldmacht zonder groepsloyaliteit) en de afname van een gezonde immuniteit/afweer tegen vreemde elementen. Wat onze streek betreft, is een belangrijk aspect bij deze “co-devolutie” de nefaste invloed van het christendom voor zover dat primair ethisch in plaats van primair spiritueel en intellectueel (‘gnostisch’) benaderd wordt (zie verder). Die leerling-tovenaarsvariant van christendom werkt ironisch genoeg het sterkst door in politiek correcte middens die elke verwijzing naar het christendom zouden schuwen. (Voor alle duidelijkheid: ook ikzelf ben atheïst, al deel ik wel de bevinding van Girard, zonder daarmee diens geloof over te nemen, dat de teksten van het christendom, de evangeliën en bepaalde gnostische geschriften, de waarheid over de mens blootleggen, zij het op een gelaagde manier zoals dat bij alle grote literatuur het geval is.)

2) dat de verspreiding van gevechtstechnieken (waaronder een groot deel van wat kennis genoemd wordt) naar andere groepen zonder afdoende beveiliging van de eigen dominantie eveneens nefast is: de default-positie van de mens naar de medemens toe is immers die van het vechten; dat is, zoals Oswald Spengler goed opmerkt, zelfs fysiognomisch verankerd in de structuur van ons lichaam (de verfijning van de hand voor het vechten, ons fixerend kijken etc.) en ook al zijn er uiteraard wel degelijk ook andere tendensen, neemt door het mimetisme het vechten in default-omstandigheden de overhand. Dat is nog steeds zo wanneer we de eigen groep verlaten. De ongecontroleerde, niet met de eigen dominantie verzegelde globalisering van kennis is een grote blunder die de westerse mens beging en waardoor hij zijn greep op de wereld verloor.

Een belangrijke nuancering bij dit alles is natuurlijk dat de inhoud van de mythe zelf gerationaliseerd kan worden, en voor een minderheid van intellectuelen (‘intellectueel’ niet enkel in de zin van ‘kunnen denken’ – dianoia – maar primair in de betekenis van ‘beschikkend over inzicht (nous) en van daaruit denkend) zelfs als geheel benaderd kan worden vanuit een hoger weten (dat een supplementaire dominantie verwekt: de existentiële ‘victoraliteit’ ten aanzien van de paradoxen van het op lagere niveaus slechts met geweld beheerste geweld, de slechts door Satan uitgedreven Satan). Bredere lagen van de bevolking kunnen hieraan weliswaar participeren in ‘gediminueerde’ vorm, meer schemerachtig door de sluier van de mythe, in verschillende graden en tincturen. Zo kan de cultuur op een hoger plan gebracht worden. De gedwongen samenwerking kan een bewust gewilde worden, die een surplus betekent op het vlak van de zingeving en het plezier.

Aangezien het inzicht ‘in principe’, d.w.z. puur inhoudelijk gezien, ‘universeel’ is, zou het ook over (voormalige) groepen heen gedeeld moeten kunnen worden. In principe, maar vaak niet in de praktijk, zoals ook binnen onze eigen groep slechts weinigen tot het inzicht komen dat nochtans ‘in principe’ voor het grijpen ligt. Echter, geen enkele ‘ophoging’ van de cultuur kan ooit ontsnappen aan de eerste twee genoemde punten, op straffe van zelfondermijning: zonder gedeelde mythe en zonder het afdekken van de eigen dominantie over vijanden (diegenen die zich reëel of potentieel keren tegen de eigen doelstellingen, zelfs al zijn die van verheven aard) gaat men ten onder. Men kan de vijand mee willen ‘bekeren’ maar waakzaamheid is troef. Elke priorisering van ‘ethische praktijk’ boven de voortdurende terugkoppeling naar en beveiliging van de slagkracht van het Weten zelf is gevaarlijk. Het primair sociaal-ethische in plaats van gnostische christendom schiep de leerling-tovenaarswereld van de ‘Verlichting’ waarvan we vandaag de dissipatie om ons heen kunnen waarnemen, de anti-intellectuele en verzwakte clown world waartoe we zijn afgedaald. De vraag kan echter gesteld worden in welke mate dit alles niet onvermijdelijk was, precies omdat de rede slechts in mythische vorm kan worden toevertrouwd aan de massa en het gros van haar leiders, zodat het ontbindende mimetisme zich toch steeds in de kieren van het systeem wringt. Misschien bestaat het heil uiteindelijk enkel ten volle, ‘pleromatisch’, in de ‘hemel’ van het Weten voor de bewoners ervan, de voor de buitenwereld onzichtbare ‘groep’ van met de ‘nous’ gezegenden.