Bart Decaluwé: een roepende in het moeras?

In ‘Academische pseudo-kritieken’ kon de lezer van deze blog al merken hoe de academici spitsvondig een inhoudelijke confrontatie met mijn doctoraat uit de weg gingen. Het ‘kon niet’ dat de waarheid over Nietzsche, laat staan een bredere waarheid, geformuleerd werd, maar argumenten daarvoor werden niet gegeven (behalve algemene ideologische ‘bezwaren’), of ze waren naast de kwestie. Mijn doctoraat werd overigens wel ‘intelligenter’ dan het gemiddelde doctoraat genoemd, een compliment waar ik niet zo veel aan heb, aangezien het mij niet om ‘intelligentie’ te doen is, maar om juistheid. Tot op heden heeft nog niemand een zinnige kritiek kunnen inbrengen tegen mijn verklaring van Nietzsche en in het bijzonder van de Zarathustra.

Wel moeten we het de academici nageven dat ze op zijn minst nog de indruk geven een inhoudelijke ‘discussie’ aan te gaan en een minimum aan beschaving vertonen. Als eender wie er zich mee gaat bemoeien, is dat blijkbaar te veel gevraagd. Toen vorig jaar ene ‘Dirk De Smet’ op bol.com een loze verdachtmaking/gezagsargument – ‘Wie is deze Kevin Van Eeckelen, de man met de antwoorden?’ – formuleerde (een vraag overigens die hij beantwoord kon zien door mijn tekst effectief te lezen alvorens er zich over uit te laten) besloot ik om me niet door een reactie daarop te verlagen. Maar met het nieuwe regelrechte scheldproza van ene Bart Decaluwé uit Melle wordt het eigenlijk wel iets te gortig. Het eveneens inhoudsloze proza van dit heerschap bereikte me ook al per mail. Ik heb hem er dan maar toe uitgenodigd een fout in de kern van mijn Nietzsche-analyse (of pluralismekritiek) aan te duiden, maar tot op heden mocht ik helaas nog niets dergelijks ontvangen. Alweer geblaat zonder wol, maar dit keer ook zonder een minimum aan ‘civilisatie’.

Het bewijst wel dat ik er goed aan doe om me niet te veel in het publieke debat te begeven, ook niet via deze site. Het heeft geen zin en het zou tijdverlies zijn om voor meutes te willen spreken die bijten als ze zich niet voldoende gevleid voelen. De lezers die wel interesse toonden – en bij wie ik me voor dit bericht waar ze geen boodschap aan hebben, wil excuseren -, kan ik wel aangeven dat ik uiteraard verderga met mijn onderzoek van de waarheid en de literatuur en daar te gepasten tijde wel de resultaten van bekend zal maken – zij het volgens de wet van de traagheid die elk ernstig onderzoek van de mens, de cultuur en de literatuur nu eenmaal vooronderstelt. We blijven dus gemotiveerd, voor de vreugde van het inzicht en voor het belang dat het inzicht heeft voor de verdere evolutie van de cultuur. Het geblaf van honden die althans inhoudelijk niet bijten nemen we er graag bij, maar we gaan het ook niet voortdurend opzoeken. Aan alle geïnteresseerden dus: bedankt voor het geduld en een fijne zomer die ik zelfs onbezonnen lieden als Decaluwé toewens.

Advertenties

Ijdelheid in het onderwijs

In een vorige post had ik het over de nood aan aristocratische generositeit in de wetenschap. Daarmee bedoel ik dat wetenschappelijke vooruitgang alleen mogelijk is wanneer men de partijdige logica achter zich laat, die er zich primair om bekommert het ‘eigen standpunt’ ingang te doen vinden en als ‘belangrijke vernieuwing’ te doen gelden. Het geloof in dergelijke vormen van ‘vernieuwing’ is trouwens inherent al paradoxaal: terwijl aan de ene kant de indruk gewekt wordt dat er ‘theoretische innovatie’ plaatsvindt, blijkt die nooit veel waard te zijn aangezien ze na korte tijd al aan vervanging toe is. Tegenover de partijdige logica in functie van de individuele onderzoeker of onderzoeksgroep staat een waarheidscultuur waarbinnen men zich ruiterlijk ten dienste stelt van het beste denkspoor, van de theorie die qua verklaringskracht alle alternatieven tot nader orde in de schaduw stelt. In de huidige ondernemerscultuur die aan de universiteiten heerst, maakt net een dergelijke theorie weinig kans, precies omdat ze inhoudelijk zo succesvol is. Ze dwingt mensen toe te geven dat ze moeten volgen en dat het juiste denken al lang door genieën is ontwikkeld en een intensieve studie vergt, een langdurige studie ook, die wel ‘tijdsverspilling’ moet zijn in een klimaat waarin men zichzelf in de spotlights wil plaatsen. Zelfs het denken van eigentijdse collega’s dient ofwel om door verwijzingen legitimiteit aan het eigen, ‘niettemin vernieuwende’ denken te verschaffen, ofwel om er zich tegen af te zetten – niet zozeer als resultaat en gevolg van een wezenlijke ontdekking, maar haast als ‘negatief’ waarlangs de ‘eigen bijdrage’ tot stand komt -, ofwel om het net als het denken van historische auteurs achter de eigen kar te spannen.

Aan die gedachte zou ik nog iets willen toevoegen. Op zich is het bovenstaande misschien nog niet zo enorm belangrijk. Ik denk dat wat in de menswetenschappen gebeurt vooral de menswetenschappers zelf interesseert. Dat wil niet zeggen dat wat in de menswetenschappen gebeurt ‘om het even’ is, aangezien het wel degelijk een bredere maatschappelijke impact heeft.

Erger is misschien wel het feit dat de cultus van de innovatie die bestaat bij gratie van het negeren van superieure, al beschikbare kennis – daarmee bedoel ik uiteraard niet alleen Girard maar ook alle auteurs waarvan het werk functioneel wordt gereduceerd tot vermeende ‘steun’ voor modieuze theorieën -, dat die cultus ook jongeren wordt bijgebracht. Jongeren zijn nog niet volledig gesocialiseerd. Precies daarom zijn ze in principe in staat om nog een vruchtbaar denken op te pikken, ook als dat in een gegeven maatschappelijke context radicaal ‘tegendraads’ is (ik bedoel uiteraard vanuit de inhoud, niet vanuit een hang naar tegendraadsheid die zelf puberaal zou zijn). Ze zouden in principe uitstekende leerlingen kunnen zijn van de wijsheid van 5000 jaar menselijke geschiedenis.

Helaas worden ze er vandaag echter toe verleid om mee het spel te spelen van de ‘innovatie’. Het probleem is dat dat op een manier gebeurt die effectief voor intelligente mensen erg… verleidelijk is. Ook ikzelf vond het als scholier en student aangenaam om ‘mijn eigen visie’ naar voren te mogen brengen. Dat streelt de ijdelheid van het ‘ego’, zeker indien dat ‘ego’ toevallig het intellectuele vermogen beschikt om een standpunt te beargumenteren. En toch is het in feite absurd.

Het is absurd dat jongeren wijsgemaakt wordt dat ze na een paar jaar studeren en dan nog in dialoog met de meest modieuze theorieën – waarvan ik het ware karakter elders meen te hebben besproken – ‘hun eigen visie’ zouden kunnen hebben op de werken van genieën als Shakespeare, Goethe en de evangelisten. Reeds het feit dat geleerden zichzelf wijsmaken dat te kunnen, is absurd, en dat geldt dus a fortiori voor mensen van twintig jaar oud (en al helemaal gezien de kwaliteit van het literatuuronderwijs in de middelbare school tegenwoordig, al is een nog groter obstakel de nood aan diepgaande kennis over de mens om dergelijke auteurs zinvol te kunnen lezen, kennis waar de literatuurtheorie van de twintigste eeuw in functie van haar eigen obsessies vaak zelfs nauwelijks over spreekt, waardoor ze haar object van onderzoek mystificeert en anachronistisch bejegent). Natuurlijk kunnen jongeren mits enkele vaardigheden en technieken ‘een eigen visie’ beargumenteren, maar de prijs daarvoor is dat ze geen besef hebben van de superieure kennis die ze zouden kunnen vinden door hun tijd niet aan schijninnovatie te verspillen. Meer nog, precies dat ‘vinden’ van die superieure kennis zou hen kunnen toelaten om échte ontdekkingen te doen, ontdekkingen die echt zijn, precies omdat ze niét in essentie ‘vernieuwend’ zijn maar aansluiten bij een kwalitatief hoogstaand denken. (In een volgende post zal ik beargumenteren dat de huidige denkmodes er daarentegen in uitblinken om met een minimum aan intellectuele inspanning een maximum aan schijninnovatie te bewerkstelligen.)

Maar uiteraard: ook hier weer gaat het in laatste instantie om een ethische kwestie. “Durf denken” blijkt ook hier weer in te houden: “durf nederig te zijn”. Durf het aan om geen “intellectuele ondernemer” te worden maar een authentieke denker die mee-denkt met de genieën van de geschiedenis in plaats van de idolen van de laatste twintig jaar, ook al kom je daarmee uit bij kennis die fundamenteel haaks staat op de tijdsgeest en wat als bruikbaar wordt beschouwd binnen de heersende democratische markt-ideologie.

Het is zonder twijfel niet evident om als jongere te kiezen voor een denken dat tegen de eigen vermeende belangen ingaat. Het vergt bovendien veel tijd om dingen te bestuderen waaraan men tegenwoordig geen waarde toekent tenzij ze tot iets ‘eigentijds’ worden ‘verdund’. Niettemin: de nederigheid die men opbrengt om ernstig en jarenlang een correcte visie na te volgen, is het tegendeel van slaafsheid. Ze laat ruimte voor een hogere vorm van trots, die niet – bij gebrek aan inhoud – gepuurd moet worden uit het ja-knikken van de buurman. Wat is die trots?

Goethe maakte eens de opmerking dat de romantici er verkeerd aan deden om Tieck uit te spelen tegen hem, alsof Tieck aan hem gelijkwaardig zou zijn. Dat zou even foutief zijn als wanneer hij zelf, Goethe dus, zich op het niveau van Shakespeare zou plaatsen. We vinden hier dus zowel nederigheid – tegenover Shakespeare – als trots – tegenover de romantici – vanuit een correcte en vruchtbare inschatting van het eigen kunnen. Nederigheid én trots in één, zonder dat dit – zoals bij de mimetische double bind – een tegenstrijdigheid bevat. Dat staat tegenover het meester-slaafmodel waarbij men als modieuze intellectueel aan de ene kant voortdurend bezig is zichzelf te verkopen aan collega’s en aan de andere kant die collega’s wil overtuigen van het feit dat men zélf een belangrijke referentie voor anderen vormt. Reken maar, trouwens, dat die dubbelzinnige situatie doorwerkt in de wijze waarop men argumenteert. Daarom is het ook belangrijk om leerlingen niét aan te leren hoe ze gelijk kunnen krijgen, noch hoe ze anderen van hun eigen ‘legitimiteit’ kunnen overtuigen. Men moet ze aanleren hoe ze gelijk kunnen hebben en precies daaruit hun fierheid kunnen halen, een fierheid die dan samenhangt met een objectieve en langdurige bijdrage aan de kennis en aan de maatschappij die aan die kennis nood heeft, of ze dat nu weet of niet.

PS: De gedachte die ik hier uitwerkte – namelijk dat ingespeeld wordt op de ijdelheid van jongeren om hen zo van hun “zelfstandigheid” te overtuigen maar hen tevens tot eigentijdse middelmatigheid te dwingen -, die gedachte vinden we ook al in het geschrift van Nietzsche over de onderwijsinstellingen van zijn tijd. In de onderwijsinstellingen van onze tijd wordt die gedachte maar zelden aangehaald, hoezeer ook Nietzsche als populaire denker bij wijze van spreken elke nieuwe mode lijkt te moeten ondersteunen. De wens is niet alleen de vader van de gedachte, maar ook van de lectuur…

PPS: ‘Ijdelheid’ in het onderwijs is natuurlijk in werkelijkheid een nog veel ruimer onderwerp. Denk maar aan de onderwijshervorming die door sommigen wordt bepleit. Aan de ene kant wil men het vakonderwijs herwaarderen (daar ben ik op zich voor), aan de andere kant wil men het afschaffen in de lagere graden en daar de vakken net gemeenschappelijk maken. Allemaal weer erg typerend voor het zieke mimetisme, niet dat van de leerlingen zelf, maar van ouders, pedagogen en beleidsmakers. Overigens schreef J.H. Van den Berg in “Hooligans” al over een soortgelijke ‘onderwijshervorming’. Terecht beklemtoont hij ook de leugenachtigheid van de argumentatie: zo kan niemand die er ernstig over nadenkt en ooit in een klas heeft gezeten (en dus weet hoe doorslaggevend het niveau van de medeleerlingen is voor de gang van zaken) in ernst geloven in de ‘individuele differentiatie’ die als compensatie zou moeten gelden voor het verdwijnen van de verschillen in de eerste graad. Die ‘differentiatie’ is een zoveelste vorm van hol jargon dat de werkelijkheid moet overstemmen. Gelukkig zijn de plannen ondertussen afgezwakt, maar ook dat valt nog af te wachten. Ik heb als niet-democraat geen partijpolitieke voorkeur, maar ik hoop in dit geval wel dat de N-VA (die de nivellering het minst lijkt te accepteren) een en ander kan blokkeren en afwentelen.

Waarom de menswetenschappen nood hebben aan aristocratische generositeit

In de media wordt een discussie gevoerd over de publicatiecultuur en de A1-tijdschriften. In mijn kritiek op de universiteit heb ik daar nooit sterk de nadruk op gelegd. Immers, het probleem dat zich in de mens’wetenschappen’ stelt, is niet van administratieve aard. Zelfs indien men andere criteria erbij betrekt, hoeft dit nog niets wezenlijks te veranderen. Het gebrek aan zinnige inhoud in de menswetenschappen kan dan nog steeds ondergestopt worden met behulp van een of andere nieuwe vorm van vermeende ‘kwaliteitszorg’.

Het wezenlijke probleem is ethisch van aard. Geleerden en vakgroepen worden ertoe aangezet om allerlei nieuwe ‘denkproducten’ op de markt aan te prijzen en typisch voor de mimetische double bind moeten ze enerzijds zien de markt te beheersen maar zijn ze daarbij anderzijds voortdurend de slaaf van die markt die hen het nodige prestige moet toekennen. Het gevolg zijn uiteraard varianten van modieus denken – ‘vernieuwend’ maar toch ook conformistisch -, waarbij elke echt inhoudelijke maatstaf ontbreekt (wat dan goedgepraat wordt onder de vlag ‘pluralisme’). Een ander gevolg is het feit dat denkwijzen die de mens vleien als vanzelf in het voordeel zijn. In mijn doctoraat toonde ik hoe de voorkeur – in de literatuurwetenschap maar analoge gevallen kunnen worden aangehaald met betrekking tot de filosofie, de psychologie, etc. – voor het spreken over de ‘creativiteit’ van de literaire taal, over ‘polyfonie’, over de ‘leegte’, over de ‘dialoog’ van tekst en lezer etc. zeer goed past binnen een mimetisch ervaringsspectrum en onderliggend de onderzoeker zelf vleit. Het spreekt voor zich dat mensen vaak liever horen (en dus goedkeuren) wat vleiend is dan wat hen tegenspreekt. Maar daarmee heb ik nog niet het essentieel ethische punt aangeraakt waarover ik het wou hebben.

Om dat te doen, moet ik eerst op een pervers effect wijzen van de peer-controle, een effect dat al sinds het ontstaan van de democratie met die democratie verbonden is. Namelijk: 1 standpunt mag het per definitie nooit halen, en dat is het ware standpunt zelve, d.w.z. het standpunt dat alle andere overschaduwt (en dat dan nog duidelijk uitspreekt ook, cf. de ‘geldingsdrang’ – of hoe men het ook verwoordt – die Girard als schrijver zo vaak wordt aangewreven, bijna in elke recensie die je over hem leest). Dat verklaart dan ook waarom een werk als dat van Girard over Shakespeare in zeer geringe mate nagevolgd wordt (of ook maar ernstig bestudeerd; indien men erover schrijft, is het vaak om er de eigen vooroordelen tegen af te zetten). Immers: als Girard gelijk heeft op wetenschappelijke gronden, als hij de meeste dingen kan verklaren op een maximaal coherente manier, dan bewijzen ex negativo de meeste andere paradigma’s (die vaak niet eens het stadium van de interpretatie en de metafysica achter zich hebben gelaten) hun eigen ondeugdelijkheid. Het belang van de waarheid gaat dus in tegen het belang van letterlijk alle concurrenten in het veld, tegen de belangen van iedereen die academisch prestige wil verwerven door (zogezegd) ‘zelf’ vernieuwingen op de markt te brengen. Op zich is dat ook nog geen probleem. Het is best mogelijk dat men deze tegenspraak aanvaardt, niet alleen aanvaardt dat die tegenspraak geuit wordt, maar er ook de nodige consequenties mee verbindt. In dat geval maakt men een positieve ethische keuze. Het is echter ook mogelijk dat men het probleem omzeilt en de discrepantie tussen het gebrek aan zinnige receptie van Girard en het inherente gebrek aan kwaliteit van veel modieuze denkwijzen vormt een indicatie voor het feit dat die tweede optie wordt gevolgd, de tweede optie die niet toevallig de enige is die aansluit bij de democratische, op peer-controle gebaseerde organisatie.

De zogenaamde voorkeur voor ‘openheid’ en ‘transparantie’ in het op peer-controle gebaseerde onderzoek blijkt dus een collectieve verzekering voor theorieën die NIET of nauwelijks succesvol zijn (of gewoon niet wetenschappelijk) tegen de enige theorie die dit WEL is op het essentiële vlak (in dit geval: wat wilde Shakespeare ons wezenlijk zeggen en waarom, in het licht van welke algemenere kennis over de mens, is dat zo belangrijk?). Het ‘vrije onderzoek’ behelst al lang niet meer (voor zover het dat ooit betekend heeft) vrijheid van vooroordelen, maar wel het fiat om eender wat te beweren en de grootste gemene deler van dat ‘eender wat’ – die naar boven komt doorheen de voortdurende ‘checks and balances’ over en weer – als maatgevend te laten gelden, veelal in steeds nieuwe varianten die als ‘vernieuwingen’ gelden (zo zijn de romantische ondertonen van de huidige theorieën al te vinden in de opvattingen over literatuur in de negentiende eeuw; essentieel is dat onderliggende stramien nooit verdwenen, enkel aan de tijd aangepast). Nepargumenten en neptheorieën die de waarheid ophouden in plaats van haar vrije baan te geven, kunnen in de huidige organisatie nooit vanuit een hoger standpunt gedetecteerd en verwijderd worden. Het ziet er niet naar uit dat dit snel anders zal zijn.

Tenzij… men kiest voor een hiërarchisch model. En dat betekent (of beter: dat moet betekenen): eerlijk zijn en degene met de beste resultaten laten voorgaan in plaats van zichzelf op het voorplan te willen zetten. Voor mensen met een wetenschappelijke mentaliteit is de keuze ten aanzien van een boek als dat van Girard over Shakespeare simpel: kan ik het ontkrachten en kan ik het beter (of ken ik iets beters)? Indien ja, dan moet men dat voorleggen en aantonen. Indien nee, dan moet men dat ruiterlijk kunnen toegeven. Zonder die generositeit is wetenschappelijke vooruitgang niet mogelijk. Als vanzelf werkt de huidige organisatie die generositeit tegen (men heeft er geen ‘belang’ bij), maar ook een andere organisatie, zelfs een hiërarchie, kan nooit werken zonder die ethische generositeit jegens degenen aan de top – de inhoudelijke top wel te verstaan – van de piramide.

Als die ethische basis ontbreekt, is ook een hiërarchie vroeg of laat contraproductief. Een democratie daarentegen is dat sowieso (ze kan enkel bestaan als het ‘pluralisme’ de plaats van de waarheid blijft bezetten), tenzij ze – oh paradox – boven zichzelf uitstijgt door via de genoemde generositeit de beteren te laten voorgaan en als voorbeeld te nemen. Een goede democratie schaft zichzelf af… (Een slechte ook trouwens, wat nog vaker gebeurt.) Indien de beteren het niet halen, dan zijn het degenen door wie men op een bepaald moment het meest gefascineerd is, of – in andere gevallen – het minst negatief gefascineerd. Niemand gelooft écht in de peer-controle als louter iets onder collega’s, het is geen toeval dat mij de ‘ervaring’ van bepaalde peers als ‘argument’ tegen mijn toepassing van Girard werd voorgehouden: die dubbelzinnigheid is typisch voor het interne mimetisme.

Kortom, de oplossing kan enkel een hiërarchie zijn maar dan alleen als de onderliggende basis er een van intellectuele eerlijkheid en generositeit is. Wie gelijk heeft gelijk geven is een schone daad voor de vooruitgang van de wetenschap. Sinds ik Girard (en degenen uit mijn omgeving die me op het pad van Girard hebben gezet) gelijk geef (wat ik in het begin als kind van mijn tijd ook niet deed), kan ik het weten…

Natuurlijk ligt de zaak nog moeilijker. Immers, een subsysteem in de maatschappij – de menswetenschap – kan zich maar moeilijk transformeren indien die transformatie frontaal zou botsen met het maatschappelijke systeem als geheel. Een dergelijke botsing zou gevaarlijk kunnen zijn voor die maatschappij (tenzij die ook boven zichzelf uitstijgt) en zelfs voor de mentale gezondheid van de onderzoeker (die immers steeds ook een met de maatschappij verbonden persoon is). Ik koester dus geen illusies over de kans op slagen van wat ik hier bepleit, toch niet op korte of middellange termijn. Ik kan hoogstens hopen dat ik bepaalde enkelingen ertoe kan ‘verleiden’ om de vruchten te plukken van de genoemde generositeit. Het eten van bepaalde vruchten is trouwens altijd wat gevaarlijk…

PS: Om de voorspelbare tegenwerping te beantwoorden ‘hoe men kan weten wie gelijk heeft’: het volstaat om zich een telraam aan te schaffen en te tellen hoeveel men kan verklaren, op voorwaarde dat dit niet ‘interpreterend’ maar dus wel degelijk op basis van een wetmatige samenhang en op maximaal economische wijze verklarend gebeurt. Echter, als de ethiek van de generositeit ingang zou vinden, vraag ik me af of dat telraam gezien de resultaten die de mimetische theorie al heeft geboekt nog wel nodig is. Een ruwe schatting zou kunnen volstaan…

PPS: (om misverstanden te vermijden): als ik over ‘generositeit’ spreek, dan bedoel ik niet het ‘sociaal’-snobistische gedrag dat Sloterdijk bepleit in een poging om de ‘schenkende deugd’ van Nietzsche heruit te vinden. Wie wil weten wat ‘de schenkende deugd’ is (wat erachter schuilgaat), kan dat elders op deze site te weten komen.

Persoon en zaak

Af en toe gebeurt het dat mensen mij aanspreken over mijn doctoraat en mijn blog. Ik heb moeten vaststellen dat sommige mensen mijn verweer tegen de universiteit nogal krachtig vinden en zich afvragen of ik een strijd voer met bepaalde personen.

Ik ga hier op in – nogmaals, overigens – omdat dit raakt aan wat volgens mij van cruciaal belang is voor een elementaire wetenschappelijke attitude en dus voor een gezonde wetenschappelijke praktijk: het onderscheid tussen persoon en zaak. (Niettemin betreur ik het dat ik door hier op in te gaan deels verplicht word om zelf de aandacht af te leiden van de zaak zelf.)

De volgende twee uitspraken zijn voor mij tegelijkertijd van toepassing, ook al lijken ze contradictorisch als men zich het bovengenoemde onderscheid niet voor ogen houdt:

1. Ik ben de universiteit en de omkadering die ze me bood zeer dankbaar voor de mogelijkheid om mijn doctoraat te schrijven. Het siert de mensen rond mij dat ze mij bij de voorbereiding van mijn doctoraat absoluut niet gehinderd hebben, ook al was mijn afwijkende mening hen bekend. Ik heb van niemand vijandschap ervaren, integendeel veel goede wil. De weerstand die ik ervoer tegen mijn standpunten kwam me goed van pas; ze heeft me ertoe aangezet mijn eigen standpunt maximaal aan te scherpen. Wie het niet met me eens is, vindt makkelijk de punten waarop ik mijn theorie zich verder moet bewijzen, wat ze ondertussen dan ook gedaan heeft.

2. Ik ben ervan overtuigd dat het gros van de huidige menswetenschappelijke productie onzinnig of in het beste geval perifeer is, dus ook in de literatuurwetenschap. Ik aanvaard niet het geloof in de huidige universiteit en menswetenschap als een neutrale ruimte waarin standpunten op hun inhoud beoordeeld worden. Ik heb een beschrijving van de reacties op mijn doctoraat toegevoegd om te tonen hoe de universiteit een rituele context creëert waarin  ongeëvenaarde maar voor pluralisten niet te aanvaarden hypotheses en theorieën zonder zinnige argumenten worden geneutraliseerd, zoals ik eerder al in mijn doctoraat zelf betoogde.

Men kan niet van mij verlangen dat ik een van de bovenstaande uitspraken laat vallen. Ik kan niet uit sympathie voor bepaalde mensen van de universiteit mijzelf plots gaan tegenspreken. En ik wil evenmin mensen persoonlijk treffen door mijn standpunten (in de wetenschap kan dat ook niet want standpunten – ik wil uiteraard andere standpunten die inhoudelijk niet deugen wél treffen, net als de gangbare schijnwetenschap – zijn geen personen).

“Ik hou van Plato, maar van de waarheid nog meer”. (Aristoteles)

PS: Uiteraard is het niet zo simpel als ik het hier laat uitschijnen. Wanneer namelijk een manifest en duurzaam falen aan de orde blijkt te zijn op het inhoudelijke vlak (en enkel dan!), dan kan men niet anders dan ook de motieven en oorzaken achter (het blijven voortduren van) dat falen te onderzoeken. Dat is gevaarlijk terrein, maar daarom niet minder geschikt voor een wetenschappelijke, op de inhoud (in dit geval van die motieven en oorzaken) gerichte benadering. Uit ethische overwegingen (en om redenen van relevantie) beperk ik (de explicitering van) mijn onderzoek op dat vlak tot processen op groepsniveau.

Het proces De Gelder: enkele bedenkingen

Het proces van Kim De Gelder stond in het teken van de vraag naar ‘toerekeningsvatbaarheid’ en het psychologische profiel van de beschuldigde. Beide discussies lijken me echter van perifeer belang om niet te zeggen dat ze aan de realiteit voorbij gaan.

Laat ik met de psychologische vraagstelling beginnen. Is Kim De Gelder een schizofreen of een psychopaat (of iets daartussen, ‘schizotypisch’ met ‘anti-sociale’ trekken)? Daarover ging de discussie en dat maakt haar mijns inziens bij voorbaat vruchteloos. Zijn Ivan Karamazow en Nikolaj Stawrogin, twee belangrijke personages in het werk van Dostojewski, psychoten of psychopaten? Voor beide valt iets te zeggen, maar bovenal leert ons het echte psychologische weten van Dostojewski dat dergelijke onderscheidingen nauwelijks iets aan het inzicht toevoegen. Het is typisch voor wetenschappen die geen wetenschappen zijn dat ze zich verliezen in ontelbare onderscheidingen en de discussies over die onderscheidingen gaan associëren met ‘serieus wetenschappelijk onderzoek’. Zelf heb ik het toppunt daarvan mogen aanschouwen in de literatuurwetenschap: holle, of tenminste zelfreferentiële begrippen die toch zo gehanteerd worden dat ze iets lijken te betekenen, afbakeningen van twintig soorten metaforen en vertelsituaties waaraan de meest gekunstelde ‘conclusies’ worden gekoppeld, eindeloze discussies over die begrippen en afbakeningen – daarmee produceert men een ‘wetenschap’ die verbergt dat men geen wetenschap heeft, geen basis van reëel inzicht. In de psychologie is het niet anders, al moet ik natuurlijk toegeven dat daar tenminste wel aspecten van de werkelijkheid worden waargenomen (zij het niet begrepen), terwijl het in de literatuurwetenschap veelal het discours zelf is en het feit dat mensen het serieus nemen – mede omdat het discours aansluit bij onderliggende verwachtingen van zowel ideologische als ‘professionele’ aard -, die verklaren waarom men… het serieus neemt. In de psychologie heb je dus wel degelijk observaties die ergens op slaan en ook de categoriseringen zijn niet totaal willekeurig. Echter, ook de aloude astrologie sloot niet uit dat men correcte waarnemingen deed over patronen in wat zich afspeelt aan de sterrenhemel. Wat ontbreekt – ook in de psychologie -, is het juiste kader om die waarnemingen echt te vatten. Waar dat kader ontbreekt, treden ‘categorieën’ in de plaats, vermengd met de onkritische ‘common sense’ die men erop projecteert (het hele debat over ‘psychose’ versus ‘veinzen’ bij De Gelder is op zich al symptomatisch voor die vermenging met de ‘common sense’). Het helpt ons overigens geen stap verder om categorieën en onkritische interpretaties van die categorieën aan te vullen met hersenscans. Een scan is een print, een afdruk van het mimetisme: op zich verklaart dat niets. Het maakt alleen ‘iets’ zichtbaar, hetzelfde ‘iets’ waarvoor men geen verklaring heeft. (Zelfs de band met het ‘iets’ van de categorieën, die zelf m.i. al niet wetenschappelijk in de zin van wetmatig-verklarend zijn, is nog onduidelijk.) Wie echt iets van De Gelder wil begrijpen, van zowel zijn zogezegd ‘schizofrene’ kant – en van ‘psychose’ is er bij hem zeker sprake (geweest), alleen moet je de psychose dan ook begrijpen (cf. wat ik in dat verband schrijf over Nietzsche en Wain) -, als van zijn zogezegd ‘psychopathische’ kant – van de ‘kilte’ en de mysterieuze ‘lach’ – verwijs ik – zoals al aangegeven – naar Dostojewski, De Demonen en De gebroeders Karamazow (maar eigenlijk ook Misdaad en straf). Daarnaast moet dan ook nog het verslavende aspect van de seriemoord bedacht worden. Is het overigens toevallig dat in beide genoemde romans ook kinderen een belangrijk motief vormen?

Tussen haakjes: het viel me op dat het (derde) psychologenteam dat nog het dichtst bij een verklaring kwam (weliswaar een waar ik me niet in kan vinden) psychoanalytici waren. De psychoanalyse is zoals bekend in diskrediet gebracht door de ‘serieuze’, ‘wetenschappelijke’ psychologie maar blijkbaar is dat niet per se een vooruitgang… Even opvallend was het feit dat ze net bijzonder hard werden aangepakt omdat ze een zeer goed onderbouwde kritiek hadden verwoord op het verslag van de gerechtspsychiaters. Wie nu eenmaal het kader van de huidige (gerechts)psychiatrie aanvaardt, die moet toegeven dat hun kritiek binnen dat kader erg rationeel gemotiveerd was en juist daardoor veel meer ‘onaanvaardbaar’ dan het eerdere, meer verwarde betoog van Ringoet. Het zal wel geen toeval zijn dat uitgerekend deze psychologen niet alleen werden ‘weggezucht’ maar ook, als waren ze zelf beschuldigden, werden afgesnauwd door de advocaat Vermassen. (Ik zeg dit niet om Vermassen te bekritiseren: precies die harde reactie van hem bewijst dat hij een goede advocaat voor zijn cliënten is, alweer binnen het systeem, in dit geval dat van het recht, dat nu eenmaal bestaat.) Zoals gezegd ben ik het echter niet eens met de verklaring van de psychoanalytici dat De Gelder krankzinnig zou zijn omdat voor hem het verschil tussen zijn ‘ik’ en de ‘ander’ vervaagt, ook al is die observatie als zodanig deels terecht: precies die vervaging is immers om zo te zeggen het ‘waarheidsmoment’ binnen de psychose voor wie de mimetische theorie een beetje kent.

Tenslotte nog iets over de vraag naar de ‘toerekeningsvatbaarheid’. Dat is uiteraard een volkomen imaginaire discussie, gefundeerd in het tegen beter weten in handhaven van de metafysische idee van een vrije wil. Dat is zo evident dat ik er eigenlijk niet verder op wil ingaan, tenzij om even iets anders duidelijk te maken. Dat men de vrije wil als een metafysische illusie beschouwt, hoeft niét te impliceren dat men een reductionist moet zijn die alles herleidt tot biochemische processen, zoals veelal wordt gedacht. Zoals gezegd verklaart dat mijns inziens op zichzelf genomen zelfs zeer weinig en is het dus geenszins reductionistisch in de goede zin van het woord: herleidend naar de reële verklarende achtergrond. Het determinisme moet gedacht worden vanuit het mimetisme en de cultuur. Daarbinnen geldt de aloude stelling van Sokrates: wie het goede kent, doet het ook. Omgekeerd: wie het goede niet doet, kent het ook niet of onvoldoende. Wat bedoel ik daarmee? Het probleem van De Gelder – tenminste wat de vraag naar ‘toerekeningsvatbaarheid’ betreft – is niet anders dan dat van ons allemaal. Kennen wij niet allemaal het onderscheid tussen goed en kwaad? We moeten onze medemens helpen, ons met hem verbonden weten en hem niet als onze rivaal in ons eigen vermeende ‘voordeel’ te snel af willen zijn (alhoewel, de (‘psychopathische’?) theorieën van het liberalisme stellen zelfs dat in vraag). Over het algemeen weten we perfect wat ‘het goede’ is – in abstracto! Maar dat ‘weten’ is bij nader inzien niets meer dan enerzijds een verbaal ‘weten’ – niet eens ‘theoretisch’ te noemen, want dat zou al vooronderstellen dat men er een rationele onderbouwing van kan geven – en anderzijds het product van de socialisering waarvan we de grenzen zelden overstijgen. In feite weten we dus helemaal niets – waarmee ik niet wil zeggen dat we het niet zouden kunnen weten – en dat bewijzen we over het algemeen dag in dag uit in de praktijk, zij het meestal binnen de grenzen van de wettelijkheid. Het weten is niet reëel genoeg om in allerhande situaties aanwezig en toepasbaar te zijn. Hetzelfde geldt voor De Gelder. Alleen heeft dat bij hem door een aantal spelingen van ‘het lot’ en het mimetisme veel nefastere gevolgen gehad.

Tot slot: laten we hopen dat de al bij al intelligente maar verdwaalde jongeman niet psychisch degenereert in de gevangenis, een risico dat zeer reëel is, zelfs los van ‘schizofrenie’. Ik wil ook mijn appreciatie uitdrukken voor al wie niet van De Gelder zelf nog meer dan nu al het geval is een bijkomend slachtoffer wil maken.

Jan Hendrik van den Berg overleden

Toevallig lees ik ergens dat op 22 september 2012 Jan Hendrik van den Berg, psychiater-denker en grondlegger van wat hij de ‘metabletica’ noemde, is overleden. Het is veelzeggend dat hier nauwelijks aandacht aan is besteed in de media. Het getuigt van zowel kortzichtigheid als ondankbaarheid dat zo iemand de facto (verder) wordt doodgezwegen, hoewel men uitgerekend bij een overlijden normaal gezien de verdiensten van een mens tracht te redden, zeker wanneer die ruimschoots bovengemiddeld zijn. Ik ontken niet dat zijn teksten wel eens irrationele elementen bevatten, maar dat wordt meer dan gecompenseerd door de inzichten die hij ons mede door zijn ‘eigenzinnigheid’ heeft geschonken.

Jan Hendrik van den Berg geloofde niet in de democratistische multiculturele maatschappij. Omgekeerd hoedt die maatschappij er zich er wel voor om haar holle lofliederen op ‘de diversiteit’ en ‘de dialoog’ ten opzichte van denkers als Van den Berg al te serieus te nemen. Laten we dan maar zelf werken als ‘Metabletica’, ‘Hooligans’, ‘Gedane zaken’ en zijn psychologische bijdragen blijven lezen. Ook daarbij geldt: durf te lezen wat je leest (cf. mijn vorige post).